‘Ik wilde nooit ambtenaar worden’

 

Paluku (63) is al een kwarteeuw boerenleider in Congo. Hij heeft er mee voor gezorgd dat de familiale boeren in het hele land voortaan met één stem spreken. Maar zijn grootste droom heeft Paluku nog lang niet gerealiseerd: de Congolese boeren leiden meer dan ooit een hondenleven.

Je hebt een groot deel van je leven gewijd aan de belangen van de familiale boeren in Congo. Waarom?
Paluku: ‘In Congo leeft 70 procent van de actieve bevolking van de landbouw. Het belang van deze sector voor de nationale economie staat in schril contrast met het respect voor het werk van de boeren. Vooral na de oogstperiode staat iedereen in de rij om de boeren te pluimen: plots regent het dan valse beschuldigingen bij de politie, die in ruil voor smeergeld gretig meewerkt aan arrestaties. Dergelijke praktijken hebben me 25 jaar geleden zo kwaad gemaakt dat ik me actief begon in te zetten voor de boerenbelangen.’

Ben je zelf nog altijd boer?
‘Als voorzitter van Conapac, de grootste landbouworganisatie in Congo, woon ik tegenwoordig in Kinshasa. Het is niet makkelijk om drieduizend kilometer van huis te zitten, maar het is nodig om de dagelijkse werking van onze organisatie te sturen. Mijn zoon heeft onze boerderij in Noord-Kivu overgenomen: een vleesveebedrijf met 60 runderen op een areaal van dertig hectare. Daarnaast heb in nog een plantage met vier hectare cacao en vier hectare palmolie.’

Naar Congolese normen is dat een groot landbouwbedrijf?
‘Dat is te zien hoe je het bekijkt. Op het niveau van Congo is dat inderdaad een groot bedrijf, want de overgrote meerderheid van de boeren moet overleven met een areaal van minder dan 5 hectare. Maar als je kijkt naar Noord-Kivu, dan gaat het maar om een middelgroot bedrijf. In onze regio wonen de beste boeren van Congo.’

De ontmoetingen met boerenorganisaties in andere continenten hebben ons veel zelfvertrouwen gegeven.

Methusalem Paluku Mivimba

Dat is vreemd, want in Vlaanderen associëren we Noord-Kivu alleen maar met oorlog en geweld.
‘De regering heeft zelden geïnvesteerd in de landbouw van Noord-Kivu en je ziet er ook weinig ngo’s. Onze boeren moesten altijd op eigen kracht overleven, ze zijn gehard door de savanne. Dat heeft van hen echte doorzetters gemaakt, en dat rendeert.’

Heb jij dat doorzettingsvermogen geërfd?
‘Ik kom uit een arm gezin met zes kinderen. Vader was mijnwerker. Zijn inkomen gaf ons de kans om middelbaar onderwijs te volgen. Mijn droom was om universiteitsprofessor of dokter te worden. Die kon ik meteen opbergen toen mijn vader zijn job opgaf om voor onze zieke grootmoeder te zorgen. Van de ene dag op de andere moest ik mijn plan trekken. Het werd nog erger toen ook moeder ziek werd. Op haar sterfbed beloofde ik haar om voor mijn jongere broers te zorgen.’

Hoe raakte je aan geld?
‘Ik had voor een job kunnen kiezen als belastingcontroleur of ambtenaar op de bevolkingsdienst van de gemeente. Maar andere mensen pesten, zit niet in mijn aard. Dus ben ik gaan aankloppen bij een neef, die eigenaar was van een bloeiend landbouwbedrijf. Daar ben ik boer geworden. Na een tijdje kocht ik een eigen stukje grond om koffie te telen.’

De politieke klasse in Congo is totaal vervreemd van de realiteit op het platteland.

Methusalem Paluku Mivimba

Hoe ben je daarna uitgegroeid tot boerenleider?
‘Ik was nogal actief in de plaatselijke kerkgemeenschap en ik zat ook in het oudercomité van de school. Toen een landbouwproject voor onze regio werd goedgekeurd, keek iedereen naar mij om dat in goede banen te leiden. Ik moest zeven voorlichters aansturen, die het productieniveau moesten opkrikken bij 550 boerengezinnen. Een grote verantwoordelijkheid, maar dat liep van een leien dakje. Na afloop van het project richtten we in 1991 een boerencoöperatie op om het werk verder te zetten. Nog eens vijf jaar later was ik voorzitter van het Sydip, een boerensyndicaat dat de ambitie had om de belangen van de boeren in een ruimere regio te verdedigen.’

Waarom hadden de Congolese boeren nood aan een nationale landbouworganisatie?
‘In het begin van de jaren negentig kenden we een gigantische muntontwaarding: de bankbiljetten die een boer ’s ochtends op de markt kreeg in ruil voor zijn gewassen, waren later op de dag niets meer waard. In die periode kochten veel handelaars landbouwgrond om aan de devaluatie te ontsnappen. Sommigen klopten aan bij een familielid van een boer, die de grond achter zijn rug verkocht. Andere handelaars kochten certificaten bij corrupte ambtenaren. Bij Sydip wilden we ons verzetten tegen deze praktijken, tot in de rechtszaal. Maar tegelijkertijd moesten we nog heel hard werken aan onze naambekendheid.’

In een uitgestrekt land als Congo lijkt dat onbegonnen werk?
‘Toch is het Sydip gelukt, ook al waren we eigenlijk alleen maar actief in het oosten van Congo. Er liepen zelfs uitnodigingen binnen om deel te nemen aan internationale bijeenkomsten. Een 10-tal jaar geleden zijn we toegetreden tot de Eastern Africa Farmers Federation, waarvan ik nog altijd bestuurslid ben. We reisden plots de wereld rond: Europa, Zuid-Amerika... De ontmoetingen met boerenorganisaties in andere continenten hebben ons veel zelfvertrouwen gegeven. We stelden ons overal voor als vertegenwoordigers van de Congolese boeren. Eigenlijk was dat een leugen om bestwil, ik heb er nog altijd een beetje hartzeer van.’

De Congolese landbouw is er slechter aan toe dan 50 jaar geleden.

Methusalem Paluku Mivimba

Maar achter de schermen bleven jullie timmeren aan die nationale landbouworganisatie?
‘Zeker. We beseften dat we sommige kwesties enkel kunnen aankaarten bij de regering in Kinshasa. Waarom komen er geen voorlichters meer op onze landbouwbedrijven? Omdat het landbouwonderzoek op sterven na dood is. En hoe komt dat? Simpel, er is geen budget meer. En waar wordt over de begroting beslist? Juist, in Kinshasa. Daar moesten we dus zijn: alle boerenbewegingen, schouder aan schouder. Maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan. In 1998 was Congo door het geweld uiteengevallen in twee grote delen. Het oosten was in handen van de rebellen, het westen werd gecontroleerd door regeringstroepen.’

Trias heeft de boerenorganisaties in Congo geholpen bij de totstandkoming van een overkoepelende federatie.
‘Daar zijn we Trias dankbaar voor. We hebben die steun nodig gehad om workshops te organiseren in alle provincies en twee grote bijeenkomsten in Kinshasa. In 2011 was de tijd rijp om Conapac op te richten. Uit een telling van 2014 is gebleken dat we 539.000 boeren vertegenwoordigen en daarmee zijn we de grootste van het land. Het enige minpunt is dat Conapac niet alle boerenorganisaties groepeert. In de streek rond Kinshasa heb je Unagrico. En er is ook Copaco, dat nog vóór de oorlog een eigen dynamiek ontwikkeld had. Die bleek niet verzoenbaar met de coöperatieve structuren van Conapac.’

In 2011 heeft het Congolese parlement de allereerste kaderwet voor de landbouw goedgekeurd. Heb je kunnen wegen op het debat?
‘Dankzij de steun van Trias kreeg ik samen met drie andere boerenleiders de kans om maandenlang in Kinshasa te verblijven. Daar hebben we geleerd dat sommige parlementsleden vatbaar zijn voor onze argumenten. Maar je moet de tijd nemen om het allemaal uit te leggen, want de politieke klasse is totaal vervreemd van de realiteit op het platteland. Het zijn allemaal zonen en dochters van dokters of advocaten.’

Geef eens een aantal voorbeelden van wat je uit de brand kon slepen.
‘In de kaderwet staat bijvoorbeeld dat de landbouworganisaties voortaan geconsulteerd moeten worden bij belangrijke wetswijzigingen voor de agrarische sector. Ook belangrijk: wie een boer voor de rechter wil dagen, moet eerst langs een adviesraad passeren. En boeren die energie produceren voor hun eigen bedrijf, moeten daarvoor geen belastingen betalen. Dat zijn een aantal verworvenheden die aantonen dat ons werk loont.’

Wat België ons nooit geleerd heeft, is op eigen benen staan.

Methusalem Paluku Mivimba

Maar zijn de boeren er al beter van geworden? Vergelijk de toestand op het terrein met die in de jaren zestig.
‘(zucht) We zijn er op dit ogenblik veel slechter aan toe. 70 procent van onze boeren is straatarm. Een groot deel berust in de overlevingslandbouw. Die mensen vinden het normaal dat ze geen drie maaltijden per dag hebben. Anderen willen vooruit met hun leven, maar hun inspanningen worden niet beloond omdat ze op ontelbare hindernissen stoten. Mobutu heeft de voorlichting, het onderzoek en de transportinfrastructuur om zeep geholpen.’

Ondanks de lage productiviteit produceren de miljoenen boeren in Congo een enorme hoeveelheid voedsel?
‘Dat klopt, maar de oogst raakt niet op de markt. In Kinshasa vind je rijst, kip, aardappelen, graan. Alles wat je wil is voorhanden, maar het is allemaal ingevoerd voedsel uit buurlanden. Dat is wraakroepend, maar we zitten nu eenmaal met de erfenis van het verleden.’

Als je over het verleden praat: heeft België nog een rol te spelen in Congo?
‘Op diplomatiek vlak is België erg terughoudend, en dat is jammer. Onze regering kan deskundig advies goed gebruiken. Voor de agro-industrie is er een duidelijk beleid, maar de familiale landbouw staat ondanks de goedgekeurde kaderwet nog altijd in de kou. Volgens officiële statistieken spendeert de overheid zes procent van het budget aan landbouw. Maar de boeren zien daar weinig of niks van. Het meeste geld wordt gepompt in de opleiding van het ambtenarenkorps. Een goede administratie is belangrijk, maar wat heb je eraan als de boeren alleen maar vechten om te overleven? We hebben verdorie geld nodig voor de bouw van landbouwwegen en bewaarloodsen. Er is weinig politieke wil om te investeren in die broodnodige infrastructuur.’

Waarom blijf je nog doorgaan als boerenleider?
‘(denkt na) Wat België ons nooit geleerd heeft, is op eigen benen staan. Op de dag van de onafhankelijkheid telde Congo 12 universitairen. Tot vandaag is ons onderwijssysteem gericht op de vorming van ambtenaren en bedienden. Het zelfstandig ondernemerschap zit nog altijd niet in ons bloed. Daar wil ik nog iets aan veranderen, want de toekomstige generatie heeft recht op een beter bestaan dan het onze.’